Bevoegdheid

De leraar in het voortgezet onderwijs moet voor het vak waarin hij lesgeeft een diploma hebben van de lerarenopleiding voor één van de twee te onderscheiden gebieden:

  • de tweedegraads lerarenopleiding: voor het vmbo, de eerste drie leerjaren havo en vwo, het praktijkonderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneducatie (het gebied vo/bve);
  • de eerstegraads lerarenopleiding: voor de bovenbouw havo en vwo (het gebied vho).

Deze regel geldt voor alle vakken, dus ook voor maatschappijleer. Docenten maatschappijleer met een eerstegraads bevoegdheid zijn ook bevoegd om het examenvak maatschappijwetenschappen te geven. Maatschappijwetenschappen heeft geen aparte bevoegdheidsregeling.

Vak M&M

Sommige scholen bieden in de onderbouw het vak Mens en Maatschappij (M&M) aan. In dit vak worden de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en economie geïntegreerd. Docenten met een bevoegdheid maatschappijleer die hun bevoegdheid voor 1 augustus 2006 hebben gehaald, zijn bevoegd om dit vak te geven. Zie voor meer informatie het Handboek Onderwijsbevoegdheden, pagina 34 artikel 9b en pagina 13, paragraaf 2.1 en 2.2. Met een bevoegdheid maatschappijleer die na 1 augustus 2006 gehaald is, mag een leraar alleen M&M geven als lid van een team dat naast hem of haar bestaat uit bevoegde leraren aardrijkskunde, geschiedenis en economie. Zie opnieuw het Handboek Onderwijsbevoegdheden, pagina 17, paragraaf 2.11.

Onbevoegden voor de klas

Een school mag een docent van een ander vak voor maximaal twee jaar maatschappijleer laten geven, op voorwaarde dat hij of zij scholing gaat volgen om binnen twee jaar alsnog de juiste bevoegdheid te gaan halen. Zie paragraaf 2.13 op pagina 18 van het Handboek Onderwijsbevoegdheden. 

Op 29 februari 2016 heeft staatssecretaris Dekker (OCW) het ‘Plan van aanpak tegengaan onbevoegd lesgeven vo’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin worden plannen besproken om het aantal lessen dat onbevoegd wordt gegeven terug te dringen.

Historische ontwikkeling

Getuigschrift hoger onderwijs

Vanaf 1 augustus 2006 (inwerkingtreding van de Wet op de Beroepen in het Onderwijs) geldt dat leraren maatschappijleer bevoegd zijn als zij een getuigschrift hoger onderwijs van een lerarenopleiding maatschappijleer hebben. Hieruit blijkt dat zij aan de bekwaamheidseisen voldoen. Leraren die voor deze datum een bevoegdheid hebben behaald, behielden hun bevoegdheid.

Bevoegdheidsregeling sinds 1981

Maatschappijleer heeft sinds 1 augustus 1981 een definitieve bevoegdheidregeling. Sindsdien kun je alleen een bevoegdheid maatschappijleer halen door een lerarenopleiding maatschappijleer te volgen en met goed gevolg af te ronden.

Tijdelijke regeling tussen 1968-1981

In de periode van 1 augustus 1968 (de invoering van het vak) tot 1 augustus 1981 bestond er een tijdelijke regeling, omdat er niet direct voldoende leraren maatschappijleer beschikbaar waren. In die periode werd door bijvoorbeeld leraren geschiedenis en godsdienst ook maatschappijleer gegeven. Bij de invoering van de definitieve bevoegdheidsregeling in 1981 heeft een deel van deze docenten zijn bevoegheid behouden op grond van een zogenaamde 114-verklaring.

Aan degene die tot 1 augustus 1981 bevoegd werd geacht voor maatschappijleer en die na 1 augustus 1968 (maar voor 1 augustus 1981) twee schooljaren maatschappijleer had gegeven, werd op zijn verzoek een 114-verklaring uitgereikt. Met deze verklaring bleef hij of zij ook na 1 augustus 1981 de bevoegdheid behouden voor deze vakken. Ook andere leraren konden voor een verklaring in aanmerking komen onder nauwer omschreven voorwaarden: een verzoek van het bestuur van de school, daadwerkelijk belast zijn met lessen in het betrokken vak, gunstig advies van de inspecteur belast met het toezicht op de school.

Daarnaast is in 1981 besloten dat  aan de akten MO(-B) geschiedenis, aardrijkskunde, staatshuishoudkunde en statistiek en pedagogiek zonder verdere voorwaarden een eerstegraads onderwijsbevoegdheid verbonden werd voor het vak maatschappijleer, indien de akte vóór 1 augustus 1982 was behaald. Een groot deel van deze docenten had al eerder een 114-verklaring aangevraagd. Een ander deel van deze docenten wilde geen bevoegdheid maatschappijleer, maar kreeg deze automatisch toegewezen. In 1987 konden zij deze ‘slapende bevoegdheid’ inleveren. Velen hebben dat gedaan.

Samenvattend

  • Een docent is bevoegd maatschappijleer te geven als hij of zij een getuigschrift hoger onderwijs van een lerarenopleiding maatschappijleer kan overleggen.
  • Een docent is ook bevoegd maatschappijleer te geven als hij of zij in 1981 een 114-verklaring heeft gekregen, en deze kan overleggen.
  • Een docent kan ook nog een bevoegdheid maatschappijleer hebben als hij of zij voor 1 augustus 1982 een MO(-B) akte geschiedenis, aardrijkskunde, staatshuishoudkunde en statistiek en pedagogiek heeft gekregen. (En als hij of zij de slapende bevoegdheid niet heeft ingeleverd.)

Docenten met een bevoegdheid voor een ander vak zijn niet benoembaar voor maatschappijleer. Hierop kan voor maximaal twee jaar een uitzondering worden gemaakt, mits de leraar scholing gaat volgen om binnen twee jaar alsnog de bevoegdheid maatschappijleer te  halen.

Bronnen:

  • website Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
  • diverse Kamerstukken uit de periode 1981-1989